Werkgeversaansprakelijkheid bij RSI: stelplicht of zorgplicht?
 K. Kas en H.W. van Osch*

 

Het leerstuk van de werkgeversaansprakelijkheid blijft volop in beweging. De Hoge Raad heeft zich de afgelopen jaren veelvuldig uitgesproken over werkgeversaansprakelijkheid in geval van beroepsziekten en bedrijfsongevallen. Over aansprakelijkheid voor schade als gevolg van RSI is door de Hoge Raad nog niet beslist. Lagere rechters hebben zich hier al wel in diverse vormen over uitgesproken. Waar eerst nog een zeer wisselend beeld naar voren kwam, lijkt in 2003 de rechtspraak ten aanzien van werkgevers­aansprakelijkheid voor RSI-schade een duidelijke richting te zijn ingeslagen. In dit artikel gaan wij in op die rechtspraak.   

 

Art. 7:658 BW en RSI

Net als bij andere beroepsziekten, is toepassing van artikel 7:658 BW bij RSI-schade gecompliceerder dan bij bedrijfsongevallen. Het probleem zit hem vooral in de zogenaamde stelplicht voor de werknemer. De stelplicht ex artikel 7:658 BW houdt in dat de werknemer voldoende aannemelijk moet maken dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden. De werkgever is in dat geval aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat aan de zorgplicht is voldaan. Dat houdt in dat er voldoende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om de schade te voorkomen of dat eventuele veiligheidsmaatregelen de schade ook niet hadden kunnen voorkomen. Bij bedrijfsongevallen is de stelplicht zelden een probleem: het is meestal wel duidelijk dat de schade is veroorzaakt door het ongeval. Vooral de toedracht van het ongeval en de eventuele nalatigheid van de werkgever is dan onderwerp van geschil. Over het ontstaan van RSI-klachten bestaat echter nog zoveel onduidelijkheid dat de werknemer zijn stelplicht niet eenvoudig kan vervullen. Het causaal verband tussen de schade als gevolg van RSI en het werk bij de werkgever is immers niet per definitie gegeven. Ook de bewijslast voor de werkgever ten aanzien van de naleving van de zorgplicht is een probleem, nu normstelling op het gebied van RSI ontbreekt. Het is namelijk nog altijd niet duidelijk welke factoren RSI veroorzaken.
Het grootste verschil van mening bestaat vooralsnog over de vraag hoe ver de stelplicht van de werknemer reikt: moet de werknemer nu eerst het causaal verband tussen de RSI-klachten en het werk aannemelijk maken of staat dat causaal verband vast zodra blijkt dat de werkgever zijn zorgplicht niet is nagekomen? Ter beantwoording van deze vraag wordt onder meer aansluiting gezocht bij de Hoge Raad-uitspraken Unilever/Dikmans[1] en Weststrate c.s./De Schelde[2]
 
De reikwijdte van de stelplicht

In het arrest Unilever/Dikmans van 17 november 2000 oordeelde de Hoge Raad dat het in geval van beroepsziekten voldoende kan zijn dat de werknemer aantoont dat hij is bloot­gesteld geweest aan gevaarlijke stoffen en gemotiveerd stelt dat hij daardoor ziek is gewor­den. De werknemer hoeft in zo’n geval niet te bewijzen welke stof op welk moment de ziekte heeft veroorzaakt. Het is aan de werkgever om in gevallen waarin kan worden vastgesteld dat er in het verleden met gevaarlijke stoffen is gewerkt, te bewijzen dat geëi­gende maatregelen zijn genomen om de schade van de werknemer te voorkomen. Als de werkgever niet slaagt in dat bewijs, wordt het causaal verband aangenomen.
Met dit arrest heeft de Hoge Raad de stelplicht en de daarbij horende bewijslast van de werknemer bij blootstelling aan gevaarlijke stoffen aanzienlijk verlicht. Men kan zich zelfs afvragen of de Hoge Raad hiermee heeft besloten tot omkering van de bewijslast ten aanzien van de causaliteit tussen de schade en het werk, in die zin dat ook die bewijslast voortaan bij de werkgever dient te liggen. De Hoge Raad formuleerde in dit arrest namelijk de volgende omkeringsregel: “Wanneer een werknemer bij zijn werk is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband aangenomen worden indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.”
In het kort daarna gewezen arrest Weststrate c.s./De Schelde van 26 januari 2001, stelde de Hoge Raad echter grenzen aan de verlichting van de stelplicht van de werknemer en de bewijslast ten aanzien van de causaliteit. Het ging hier om een asbestzaak waarin de blootstelling aan asbest door de werkgever was betwist. Nu niet was aangetoond dat de werknemer mogelijk in de uitoefening van het werk was blootgesteld aan asbest, oordeelde de Hoge Raad dat de schade die de werknemer stelt te hebben geleden, nog niet tot aansprakelijkheid van de werkgever leidt. Kortom, de verlichting van de stelplicht van de werknemer gaat niet zover dat de werknemer niet meer zou hoeven aan te tonen dat hij is blootgesteld geweest aan een gevaarlijke stof of situatie waardoor de schade veroorzaakt kan zijn. De door de Hoge Raad geformuleerde omkeringregel heeft derhalve als uitgangspunt dat eerst dient vast te staan dat de werknemer is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen. De blootstelling aan gevaarlijke stoffen tijdens het werk moet zonder meer door de werknemer worden gesteld en zonodig bewezen.[3] Als aan die beperkte stelplicht is voldaan, bestaat er echter wel een zogenaamd bewijsvermoeden, in die zin dat de rechter er vooralsnog vanuit gaat dat de werknemer is geslaagd in de bewijslevering ten aanzien van het causaal verband, tenzij de werkgever kan aantonen dat de zorgvuldigheidsnorm niet is geschonden of dat de schade ook zou zijn ontstaan zonder schending van de norm.[4] 

Advocaten die werknemers bijstaan in RSI-zaken doen ten aanzien van de reikwijdte van de stelplicht vaak een beroep op het arrest Unilever/Dikmans. Veelal wordt dan aangevoerd dat de werknemer slechts hoeft te stellen dat hij RSI-klachten heeft gekregen, door de arbeidsomstandigheden bij de werkgever, waarna de bewijslast naar de werkgever verschuift die nu eerst zal moeten aantonen dat aan de zorgplicht tot voorkoming van RSI-klachten is voldaan. Voorstanders van die theorie gaan er derhalve vanuit dat de stelplicht van de werknemer eigenlijk volledig is uitgehold: zodra er RSI-klachten zijn, is de werkgever aansprakelijk, tenzij deze kan aantonen dat er voldoende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen, of dat die maatregelen de schade niet hadden kunnen voorkomen. De klachten worden dan vermoed tijdens het werk te zijn ontstaan als de werkgever niet slaagt in zijn bewijslast ten aanzien van de nakoming van de zorgplicht. Volgens hen is het dus voldoende als de werknemer stelt dat er mogelijke blootstelling is geweest aan risicofactoren die de schade zouden hebben kunnen veroorzaken.[5]
Tegenstanders van de stelling dat de stelplicht van de werknemer volledig zou zijn uitgehold,  verwijzen steevast naar het arrest Weststrate c.s./De Schelde. Zij zijn van mening dat de werknemer ten minste voldoende duidelijk moet maken dat de RSI-schade verband kan houden met het werk. Uit deze arresten van de Hoge Raad blijkt immers dat de werknemer eerst voldoende aannemelijk zal moeten maken dat er sprake is geweest van blootstelling aan omstandigheden of factoren die de geleden schade hebben kunnen veroorzaken.
Beide arresten spelen een belangrijke rol bij de beoordeling van RSI-zaken door lagere rechters. De toepassing van deze arresten op RSI-zaken komt terug in de meeste zaken, zoals hierna wordt toegelicht, en geeft niet altijd een consistent beeld van de eisen die worden gesteld aan het causaliteitsbewijs.

 

Hoe ontwikkelt de lagere rechtspraak zich ten aanzien van RSI?

Vorig jaar werden in dit blad de tot en met november 2002 gepubliceerde RSI-uitspraken beschreven.[6] In het artikel werden tien RSI-zaken besproken aan de hand van de problematiek ter zake van de bewijslastverdeling tussen werkgever en werknemer. Uit die uitspraken blijkt dat een belangrijk aantal kantonrechters geen al te grote bezwaren heeft tegen het aannemen van causaal verband tussen RSI-klachten en de werkzaamheden, mits artsen of andere deskundigen dat verband aannemelijk achten.[7] Er zijn echter ook uitspraken waarin kantonrechters het causaal verband niet zonder meer aannemen en de werknemer eerst een bewijsopdracht geven om aannemelijk(er) te maken dat hij inderdaad RSI-klachten in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft opgelopen. Dit betreffen uitspraken waarbij door de kantonrechter aan de stelplicht van de werknemer nadere voorwaarden worden gesteld.[8] Er zijn voorts zaken waarin de bewijsvolgorde wordt omgekeerd in die zin dat de werkgever eerst de opdracht krijgt te bewijzen dat de zorgplicht niet is geschonden. Pas daarna zal de stelplicht van de werknemer ten aanzien van het causaal verband tussen de RSI-klachten en de werkzaamheden in beeld kunnen komen. Tot slot zijn er kantonrechters die problemen met de bewijslastverdeling oplossen door beide partijen tegelijkertijd een bewijsopdracht te geven. De werknemer moet dan het causaal verband aannemelijk maken, terwijl de werkgever tegelijkertijd moet aantonen dat de zorgplicht niet is geschonden.[9] Het beeld dat volgt uit deze eerste uitspraken is – kortom - sterk wisselend.
In 2003 zijn acht uitspraken inzake RSI gepubliceerd. Daaruit blijkt opnieuw het spanningsveld tussen enerzijds de reikwijdte van de stelplicht van de werknemer en anderzijds de zorgplicht van de werkgever. De rechters blijken minder snel geneigd tot omkering van de bewijsvolgorde zolang het (minimale) causaal verband tussen de schade en het werk nog niet vaststaat: in zes van deze acht uitspraken wordt geoordeeld dat het causaal verband eerst voldoende aannemelijk moet worden gemaakt, voordat de eventuele schending van de zorgplicht aan de orde kan komen. In het hierna volgende zullen wij de gepubliceerde uitspraken van 2003 uitgebreid bespreken en zullen wij bezien of er een trend zichtbaar is ten aanzien van de stelplicht en de zorgplicht bij RSI-schade.


Verscherping van de stelplicht?

In 2003 is in een tweetal hoger beroep zaken de reikwijdte van de stelplicht en de verdeling van de bewijslast aan de orde gesteld. Het ging om de zaken Van Hulst/Accenture[10] en Davelaar/NOS[11].  Beide uitspraken zijn van de rechtbank Amsterdam en bevestigen het beeld dat de werknemer eerst het causaal verband tussen de RSI-schade en de werkzaamheden voldoende aannemelijk dient te maken, alvorens de zorgplicht van de werkgever in beeld komt.

Van Hulst/Accenture
In de zaak Van Hulst/Accenture geeft de kantonrechter in eerste aanleg een bewijsopdracht aan Van Hulst, waarbij de kantonrechter voorstelt een deskundige te benoemen die het causaal verband dient vast te stellen tussen de schade die Van Hulst stelt te hebben geleden en de werkzaamheden voor Accenture. Van Hulst gaat in hoger beroep van dit tussenvonnis en vordert omkering van de bewijsvolgorde in die zin dat Accenture zal worden belast met het bewijs dat de zorgplicht ex artikel 7:658 BW jegens Van Hulst is nageleefd. De rechtbank stelt Van Hulst in het ongelijk en bekrachtigt het tussenvonnis van de kantonrechter dat eerst het causaal verband tussen de schade en het werk dient te worden vastgesteld. De rechtbank onderbouwt haar standpunt met het rapport van de Gezondheidsraad van 27 november 2000 over RSI.[12] De rechtbank oordeelt dat zij zich, gezien het standpunt van de Gezondheidsraad, kan vinden in de overweging van de kantonrechter “dat over RSI zelf, over het ontstaan daarvan, de bestrijding en voorkoming ervan, thans nog veel onzekerheid bestaat”.  Van Hulst dient de precieze aard van haar klachten eerst nader te preciseren en te onderbouwen. Een door Van Hulst reeds overgelegde brief van een deskundige is volgens de rechtbank voor die aanname nog onvoldoende. 

De informatie die door Van Hulst is overgelegd over de werkomstandigheden en de naleving van de zorgplicht door Accenture vindt de rechtbank te algemeen van aard. Ook de stellingen ten aanzien van de werkomstandigheden moeten nader worden uitgewerkt. De rechtbank geeft echter reeds aan dat wanneer Van Hulst de stellingen op dat punt nader heeft uitgewerkt, van de werkgever vervolgens mag worden gevergd dat hij de omstandigheden aangeeft die meer in zijn sfeer liggen dan in die van de werknemer.

De rechtbank gaat ook in op het arrest Unilever/Dikmans. Hierover overweegt de rechtbank dat, in tegenstelling tot de situatie in Unilever/Dikmans, in de zaak Van Hulst/Accenture nog niet vaststaat dat sprake is van een ziektebeeld dat te wijten kan zijn aan de werksituatie. De rechtbank overweegt voorts: “Gelet op de inhoud van het advies van de Gezondheidsraad is het immers nog de vraag of en wanneer het werken achter een beeldscherm valt te vergelijken met het blootgesteld zijn aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen zoals de in de zaak Unilever/Dikmans aan de orde zijnde chemicaliën. Er is dus (nog) geen sprake van een situatie waarin het door Van Hulst te bewijzen oorzakelijk verband aangenomen moet worden indien Accenture niet aangeeft op welke wijze zij invulling heeft gegeven aan de op haar op grond van artikel 7:658 BW rustende zorgplicht ten aanzien van Van Hulst. Het beroep op genoemd arrest gaat vooralsnog dus niet op.”

 

Davelaar/NOS
De andere zaak waarin de rechtbank Amsterdam in hoger beroep heeft beslist, is de zaak Davelaar/NOS. Er is beroep ingesteld tegen een tussenvonnis van de kantonrechter te Hilversum, waarin het causaal verband tussen werk en ziekte wordt aangenomen. Aan de hand van rapporten van een revalidatiearts, een internist en een reumatoloog heeft de kanton­rechter te Hilversum geoordeeld dat het causaal verband voldoende aannemelijk is geworden. Die rapporten zijn voor de kantonrechter, tezamen met het feit dat Davelaar computerwerkzaamheden heeft verricht en mede gelet op de omstandigheden waaronder die werkzaamheden zijn verricht, voldoende om causaal verband aannemelijk te achten. De rechtbank Amsterdam verwijst in hoger beroep opnieuw naar het rapport van de Gezondheidsraad[13] . Het enkele feit dat Davelaar bij de NOS werkzaamheden verricht die volgens dat rapport als risico­factor voor het ontstaan van RSI kunnen worden aangemerkt, is op zichzelf volgens de rechtbank onvoldoende bewijs dat Davelaars aandoening derhalve ook het gevolg van de werkzaamheden is. De rapporten van de door de Davelaar geraadpleegde deskundigen zijn voor die conclusie nog onvoldoende bewijs.
Ook in deze uitspraak wordt opnieuw expliciet beslist dat het arrest Unilever/Dikmans niet toepas­selijk is op een situatie waarin de werknemer RSI-klachten heeft. De rechtbank wijst een om­kering van de bewijslast dan ook expliciet af.  De rechtbank oordeelt dat Davelaar gehouden is tot levering van het bewijs van het causaal verband tussen de RSI-klachten en de werkzaamheden en dat het noodzakelijk is dat een onafhankelijk deskundige zich zal uitlaten over de bij Davelaar geconstateerde klachten. Voorts oordeelt de rechtbank dat onafhankelijk onderzoek ook nodig is omdat de NOS nog op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de vraagstelling aan de door Davelaar ingeschakelde deskundigen en omdat twee van die deskundigen tevens behandelaar van Davelaar zijn.

Kortom: de lijn van de jurisprudentie in hoger beroep is een krachtige onderstreping van het belang van de stelplicht in RSI-zaken en afwijzing van de toepasselijkheid van Unilever / Dikmans .[14]

 

En wat doen de kantonrechters?

Er zijn in 2003 twee vonnissen van kantonrechters gepubliceerd waarin de werknemer de opdracht krijgt het causaal verband tussen de RSI-klachten en de werkzaamheden te bewijzen. In twee andere zaken waren de kantonrechters ook van oordeel dat eerst aan de stelplicht moet zijn voldaan alvorens de zorgplicht in beeld kwam, maar vonden de rechters het causaal verband al voldoende duidelijk. Daarnaast zijn er nog twee uitspraken waar de rechter de bewijsvolgorde omdraait en dus eerst nagaat of de werkgever niet te kort is geschoten in de zorgplicht. Wij zullen deze zes uitspraken hierna kort achter elkaar bespreken.

Giesen / ACNielsen[15]

In deze zaak stelt de werknemer dat de klachten het gevolg zijn van veel beeldschermwerk bij de werkgever, het maken van lange uren en het niet voldoen van de werkplek aan de wettelijke voorschriften. De werkgever betwist de stellingen en voert aan dat de klachten van de werknemer even goed in de privé-sfeer kunnen zijn ontstaan. De kantonrechter te Amsterdam oordeelt dat het enkele feit dat de klachten mogelijk zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden, niet volstaat. Ook deze rechter verwijst naar het rapport van de Gezondheidsraad en acht van belang dat over RSI nog te weinig bekend is om aan de ontstaansredenen ervan zekerheden te ontlenen. De door de werknemer overgelegde medische en ergonomische stukken acht de kantonrechter niet van dien aard dat daaruit reeds de causaliteit kan worden afgeleid.[16]

G-/D- en C-[17]
In deze zaak oordeelt de kantonrechter te Utrecht eveneens dat niet is komen vast te staan dat de werknemer heeft geleden en/of nog lijdt aan RSI. De werknemer heeft een medische status van de Arbo-arts overgelegd, een verklaring van de fysiotherapeut, overzichten van de behandeling door zijn huisarts en een rapport van een revalidatiecentrum. In die verschillende rapportages wordt de diagnose RSI slechts ‘waarschijnlijk’ genoemd en daarom was de kantonrechter van oordeel dat de werknemer eerst bewijs dient te leveren van de aard en omvang van zijn ziekte. De kantonrechter stelt voorts dat de bewijsvolgorde zich in beginsel leent voor omkering, in die zin dat niet werknemer G- moet bewijzen dat de ziekte in de uitoefening van de werkzaamheden is ontstaan, maar dat werkgevers C- en D- moeten bewijzen dat zij hun zorgplicht zijn nagekomen. Maar, oordeelt de kantonrechter, voor een dergelijke omkering is geen grond als de werknemer van het causaal verband tussen zijn ziekte en het werk geen begin van bewijs heeft geleverd en dit verband ook niet onmiddellijk aannemelijk is. Naar ons oordeel zoekt de kantonrechter hiermee aansluiting bij het arrest Weststrate c.s /De Schelde, waaruit voortvloeit dat de werkgever niet aansprakelijk kan zijn voor schade waarvan niet duidelijk is of deze in de uitoefening van de werkzaamheden is geleden.

 

Evenhuis/Infocandy
De kantonrechter te Haarlem, in de zaak Evenhuis/Infocandy[18], oordeelt ook dat het causaal verband voldoende aannemelijk moet zijn alvorens wordt toegekomen aan de bewijslast van de werkgever ten aanzien van de zorgplicht. In deze zaak vindt de kantonrechters het causaal verband tussen de schade en het werk echter wel voldoende aannemelijk. Door een neuroloog en een arts van het GAK wordt RSI gediagnosticeerd. Op basis van deze diagnoses, het feit dat de werknemer regelmatig langdurig en onder een hoge werkdruk werkte, en vrijwel alleen beeldschermwerk deed, acht de kantonrechter een causaal verband aannemelijk. De werkgever wordt in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat hij zijn zorgplicht is nagekomen of dat nakoming van zijn zorgplicht de arbeidsongeschiktheid niet zou hebben kunnen voorkomen. Infocandy betwist het causaal verband en vraagt om benoeming van een deskundige die zich kan uitlaten over het causaal verband. De kantonrechter is evenwel van mening dat een onafhankelijk deskundigenrapport niet nodig is, nu Infocandy geen feiten heeft aangevoerd op grond waarvan de oorzaak van de klachten van Evenhuis redelijkerwijs (uitsluitend) buiten de werksfeer gezocht moet worden. Het feit dat Evenhuis voor en na zijn ziekmelding ook thuis beeldschermwerk heeft verricht, leidt niet tot een ander oordeel. Dit feit kan hooguit bij de bepaling van de omvang van de schadevergoedingsplicht van Infocandy nog van belang zijn.

 

Van den Berg/Eurema[19] 

In deze zaak is de kantonrechter te Apeldoorn ook van oordeel dat de werkneemster aan haar stelplicht op grond van artikel 7:658 BW heeft voldaan. De kantonrechter neemt in deze zaak aan dat de werknemer tijdens de duur van het dienstverband RSI-klachten heeft ontwikkeld door veel beeldschermwerk te doen.[20] De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden door niet tijdig aandacht te besteden aan de inrichting van werkplekken, althans niet heeft voorkomen dat de klachten zich verergerden. Werkgever heeft te weinig gedaan en is te laat in actie gekomen, hetgeen de kantonrechter bestempelt als “too little too late”. De kantonrechter baseert zijn oordeel voorts op het Besluit Beeldschermwerk/artikel 5.10 Arbobesluit ten aanzien van beeldschermwerk. Op grond daarvan had de werkgever, naar het oordeel van de kantonrechter, er op moeten toezien dat de werknemer niet te lang achter de computer zou werken. De rechter overweegt hierover: “Uit de stukken blijkt van een – kennelijk té – enthousiaste inzet van eiseres bij het werk, welke gedaagde, ook in het belang van eiseres zelf, had behoren te temperen.


Campen/Köpcke
[21].
Tot slot zijn er in 2003 nog twee uitspraken gepubliceerd waarin de kantonrechters de bewijsvolgorde omdraaien. De kantonrechter te Brielle deed dit in de zaak Campen/Köpcke. Deze zaak betreft het eindvonnis, volgend op het tussenvonnis dat in 2002 is gepubliceerd. Bij dit tussen­vonnis oordeelde de kantonrechter dat de werkgever zal worden toegelaten tot bewijs van de naleving van de zorgplicht. De deskundige die op grond daarvan werd benoemd, laat zich echter niet alleen uit over de zorgplicht, maar ook over het causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid van de werknemer en zijn werkzaamheden. Onder verwijzing naar het Besluit Beeldschermwerk en de door Köpcke opgestelde Risico-Inventarisatie en het Plan van Aanpak concludeert de deskundige dat Köpcke ten aanzien van de inrichting van beeldschermwerkplekken in zijn zorgplicht is tekort geschoten. Köpcke diende op de adviezen van de Arbeidsinspectie sneller te reageren. Die adviezen waren concreet genoeg om direct tot actie over te gaan. De kantonrechter deelt de mening van de deskundige en stelt vast dat Köpcke zich niet actief genoeg had opgesteld om ‘kenbare risico’s zoveel mogelijk te elimineren’. De deskundige oordeelt, ongevraagd, dat het causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid van Campen en de werkzaamheden bij Köpcke niet duidelijk is en naar objectieve maatstaven niet aannemelijk.[22] Campen legt in reactie op dit deskundigenoordeel commentaren van artsen over die de conclusies van de deskundige gemotiveerd weerspreken. De kantonrechter oordeelt dat het debat tussen de medisch deskundigen ertoe heeft geleid dat onduidelijk is of de visie van de deskundige juist is. Om deze reden is ook het causaal verband niet eenduidig aan te nemen. De kantonrechter stelt dat Köpcke aansprakelijk was voor de schade die Campen heeft geleden, nu wel vaststaat dat de zorgplicht is geschonden.

 

Thier/Groeneveld[23]

Ook de kantonrechter te Middelburg keert de bewijsregel om. Een neuroloog stelt vast dat de klachten van de werknemer door het werk veroorzaakt zijn. Er was sprake van een langdurige statische belasting in een verkeerde werkhouding in combinatie met een hoge werkdruk. De kantonrechter te Middelburg oordeelt gemotiveerd dat de stelplicht van de werknemer beperkt is tot het bewijs dat de klachten waren voorafgegaan door activiteiten in loondienst met herhaalde bewegingen of een statische houding. Daarbij is volgens de kantonrechter nog wel een oordeel van een arts nodig die de RSI vaststelt en een causale relatie met het werk legt. Volgens deze kantonrechter hoeft de werknemer echter geen werkelijk oorzakelijk verband aan te tonen. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever tekort is geschoten in de nakoming van zijn zorgplicht door de wettelijke normen inzake de inrichting van de werkplek niet na te leven en door een te hoge werkdruk. De werkgever wordt aansprakelijk geacht voor de schade van de werknemer. De kantonrechter interpreteert de zaak Unilever/Dikmans zo dat de werknemer géén causaal verband hoeft aan te tonen. De kantonrechter overweegt dat de wet geen oorzakelijk verband vereist tussen de schade en uitoefening van de werkzaamheden. Volgens deze kantonrechter staat in de wet de zorgplicht van de werkgever feitelijk en inhoudelijk voorop.
 

Het beeld dat volgt uit de recente jurisprudentie

Wat betekenen voornoemde uitspraken nu voor de stand van zaken ten aanzien van werkgeversaansprakelijkheid en RSI? Indien we de uitspraken naast elkaar leggen, kan daaruit de conclusie worden getrokken dat bij gebreke van een duidelijke vingerwijzing van de Hoge Raad kanton­rechters nog altijd worstelen met de omvang van de stelplicht van de werknemer. Als kantonrechters eenmaal van oordeel zijn dat aan die stelplicht is voldaan, lijken zij minder moeite te hebben met een oordeel over de schending van de zorgplicht door de werkgever. Opvallend daarbij is dat in alle gevallen waarin kantonrechters de zorgplicht van de werkgever uiteindelijk beoordelen, ondanks het ontbreken van duidelijke normstelling voor de preventie van RSI, wordt geoordeeld dat werkgevers die zorgplicht hebben geschonden. Werkgevers worden bovenal niet in alle gevallen nog in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren dat de schade ook zou zijn ontstaan indien de zorgplicht wel in acht zou zijn genomen.
Wat de omvang van de stelplicht van de werknemer betreft zijn natuurlijk de hoger beroep zaken van de rechtbank Amsterdam van groot belang. De rechtbank is van oordeel dat, anders dan in Unilever/Dikmans, bij RSI nog niet vaststaat dat sprake is van een ziektebeeld dat te wijten kan zijn aan de arbeidsomstandigheden. Het is volgens de rechtbank nog maar de vraag of beeldschermwerk wel te vergelijken is met het worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen.  Kennelijk rechtvaardigt in de visie van de rechtbank Amsterdam een andere gevaarzetting, namelijk beeldschermwerk, ook een andere omvang van de stelplicht door de werknemer. De rechtbank heeft hierin naar onze mening gelijk. Immers, de verlichting van die stelplicht wordt door de Hoge Raad aangenomen in zaken waar de verwezenlijking van gevaren direct gerelateerd is aan het werken met bepaalde gevaarlijke stoffen. Het risico dat een bepaald, voor die gevaarlijke stof specifiek, gevaar (bijvoorbeeld asbestose) zich verwezenlijkt, zal sneller worden aangenomen indien de werknemer aantoont dat hij met de betreffende stof heeft gewerkt. Diezelfde redenering kan echter - nog - niet worden toegepast op een activiteit als beeldschermwerk. Immers de oorzaak van het ontstaan van RSI staat nog altijd niet vast en een mogelijke overtreding van bijvoorbeeld het Beeldschermbesluit betekent nog niet dat het gevaar van RSI-schade zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt. Wat ons betreft mogen om die reden dan ook hogere eisen  worden gesteld aan de stelplicht van de werknemer in RSI-zaken.

Wat de zorgplicht van de werkgever betreft zijn de rechters vooralsnog opvallend snel geneigd om schending aan te nemen. Dit lijkt onterecht, nu een duidelijke normstelling - ook volgens de Gezondheidsraad - nog ontbreekt. Ten aanzien van de zorgplicht van de werkgever definieert de Gezondheidsraad weliswaar een aantal risicofactoren die tot een verhoogde kans op RSI-klachten kunnen leiden, maar de raad constateert ook dat de stand van de wetenschap op het gebied van RSI-factoren nog ontoereikend is voor normstelling. Bewijs voor de effectiviteit van preventieve maatregelen ontbreekt vrijwel volledig. Op dit punt lijken de medische deskundigen aan zet en dienen juristen wellicht pas op de plaats te maken. In de tussentijd dienen werkgevers zich  - vanzelfsprekend - in hun huidige preventiebeleid te richten op risico´s die wel bekend zijn.[24] Zolang een duidelijke normstelling ten aanzien van het ontstaan en de preventie van RSI nog ontbreekt, achten wij een terug­houdende ­opstelling ten aanzien van de beoordeling van de nakoming van de zorgplicht door de werkgever op zijn plaats. Bij gebreke van een duidelijke normstelling zal het voor de werkgever immers vrijwel onmogelijk zijn om bewijs ten aanzien van naleving van de zorgplicht te leveren.
Ook als rechters van oordeel zijn dat er wel voldoende duidelijke normstelling bestaat, rechtvaardigt overigens niet elke tekortkoming de conclusie dat er dus ook sprake is van een tekortkoming in de zorgplicht. We wijzen in dit kader op de uitspraak van de Hoge Raad van 12 september 2003[25]. In deze zaak had de werkgever verzuimd de wettelijk verplichte Risico-Inventarisatie & Evaluatie[26] op te stellen. Toen zich vervolgens een arbeidsongeval voordeed, stelde de werknemer zich op het standpunt dat de toepassing van artikel 7:658 lid 2 BW géén causaal verband meer vereiste tussen het ongeval en de door de werkgever te treffen (maar niet getroffen) veiligheidsmaatregelen. De werkgever dient volgens de werknemer eerst te bewijzen dat de schade zich ook zou hebben voorgedaan indien hij wel aan zijn wettelijke verplichting had voldaan. De Hoge Raad oordeelt echter dat die stelling op een onjuiste rechtsopvatting berust. Al aangenomen dat het ontbreken van een bijgewerkte en geëvalueerde Risico-Inventarisatie & Evaluatie een tekortkoming van de werkgever in de zorgplicht inhoudt, kan volgens de Hoge Raad ook in dat geval de werkgever nog aan zijn aansprakelijk­heid ontkomen door aan te tonen dat een correcte Risico-Inventarisatie & Evaluatie het ongeval toch niet zou hebben kunnen voorkomen. Schending van een wettelijke verplichting kan derhalve niet per definitie leiden tot de conclusie dat de zorgplicht is geschonden en hoeft dus ook niet tot een aanname van causaliteit te leiden.  
Als wordt aangenomen dat de werknemer aan de stelplicht heeft voldaan en de werkgever de zorgplicht heeft geschonden, moet de werkgever vervolgens ook nog in voldoende mate in de gelegenheid worden gesteld om het bewijs te leveren dat de schade ook zou zijn ontstaan indien hij de zorgplicht en/of veiligheidsnorm wél in acht zou hebben genomen. De werkgever is daarbij afhankelijk van een onafhankelijke medische expertise en het verrichten van een eigen onderzoek. Het lijkt dat de rechters vooralsnog onvoldoende gelegenheid geven aan de werkgevers om dat bewijs daadwerkelijk te leveren.  Veelal nemen de rechters genoegen met deskundigenrapportages die door de werknemer al zijn ingebracht. Die deskundigenrapportages gaan meestal over het verband tussen de schade en het werk, dan wel het ontstaan of bestaan van de schade. Daarin zal de vraagstelling of de schade ook zou kunnen zijn ontstaan indien wél voldoende voorzorgsmaatregelen waren getroffen, vaak niet aan de orde komen. Dat is immers een vraagstelling die typisch samenhangt met het belang van de werkgever.


Conclusie
Wij vinden de geconstateerde verscherping van de stelplicht een goede ontwikkeling, die volgens ons geheel in lijn is met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Wij plaatsen echter wel vraagtekens bij de rechterlijke beoordeling van de zorgplicht van de werkgevers. Naar onze mening is een aantal kantonrechters in het afgelopen jaar ook te snel heengestapt over het recht van de werkgever op onafhankelijke bewijsvergaring. Daardoor is de werkgever onvoldoende in de gelegenheid gesteld het tegenbewijs van het causaal verband tussen de geschonden zorgplicht en de schade van de werknemer ook daadwerkelijk te leveren. 

De resultaten van een door de werknemer geraadpleegde deskundige blijken voor het leveren van het bewijs door de werkgever veelal onvoldoende. De werkgever heeft een ander uitgangspunt en zal dientengevolge ook andere vragen willen laten beantwoorden. Het recht op een goede procesorde, vooral het beginsel van ‘equality of arms’, brengt naar onze mening met zich dat de werkgever niet het recht mag worden ontzegd een oordeel te vragen aan een onafhankelijke deskundige. De rol van de onafhankelijke deskundige is inmiddels ook onderdeel geworden van een discussie in de Tweede Kamer, naar aanleiding van berichten van het Bureau Beroepszieken van de FNV dat werkgevers zich niet wensen neer te leggen bij één deskundigenverklaring.[27]
Wij verwachten overigens dat door de Wet Verbetering Poortwachter de komende jaren meer informatie beschikbaar zal komen over ontwikkeling en bestrijding van de beroepsziekte RSI. RSI zou wellicht kunnen worden voorkomen indien al in een vroeg stadium onder toezicht van een Arbo-arts maatregelen worden getroffen. Tevens biedt de verslaglegging van het reïntegratieproces ruimte voor de melding van eventuele (externe) factoren die bij het ontstaan van de ziekte een rol hebben gespeeld. Factoren die op dit moment veelal wel bij werkgevers bekend zijn, maar zelden goed zijn gedocumenteerd. Indien werkgever en werknemer zich aan deze wet houden, zal het oordeel ´too little too late´ mogelijk niet snel meer voorkomen.


Werkgeversaansprakelijkheid bij RSI: stelplicht of zorgplicht? Laatst bijgewerkt: 12-04-2002 Li Po. Copyright 2004: K.Kas en H.W. van Osch. Dit artikel is gepubliceerd in Arbeidsrecht nr 3 2004. Citaten bij voorkeur onder verwijzing naar die publicatie.

Home Functie database Download deze file naar uw tekstverwerker Vragen over dit onderwerp kunt u zenden naar: huub van Osch


 

 

 



* Mevr. mr. drs. K. Kas en mr. H.W. van Osch zijn advocaat bij Baker & McKenzie te Amsterdam.

[1] HR 17 november 2000, JAR 2000, 261.

[2] HR 26 januari 2001, JAR 2001/39.

[3] Zie ook noot van W.H.D. Asser bij Unilever / Dikmans, HR 17 november 200, NJ 2001/596.

[4] Vgl. C.J.M. Klaassen, ‘Aansprakelijkheid voor arbeidsongevallen’, ArA 2001/2, p. 42-45. Klaassen gaat in op de ogenschijnlijke tegenstrijdigheid tussen enerzijds het door de Hoge Raad gehanteerde bewijsvermoeden bij beroepsziekten en anderzijds de omkeringsregel. Het aannemen van een bewijsvermoeden (het causaal verband wordt voorshands aannemelijk geacht) zou eigenlijk een lichtere vorm van tegenbewijs aan de kant van de werkgever dienen te rechtvaardigen. Nu de Hoge Raad van de werkgever expliciet verlangt te stellen en te bewijzen dat de schade ook zonder de normschendende gedraging zou zijn ontstaan, maakt het voor de bewijspositie van de werkgever kennelijk in de praktijk niet veel uit of gesproken wordt over een bewijsvermoeden of over omkering van de bewijslast.

[5] Zie ook A.J.C.M. Geers,  J.M. Ruijgrok en R. van de Water, ‘RSI: de stand van zaken’, NJB 21 oktober 2003, aflevering 39.

[6] J.F. van Vlijmen en K. Kas, ‘RSI: de eerste oogst op grond van art. 7:658 BW’, ArbeidsRecht 2003, 1. Eerder:  J.F. van Vlijmen en K. Kas, ‘RSI: een momentopname’, ArbeidsRecht 2001, 28.

[7] Zo werd geoordeeld in de zaken: Maselli/Kennemer Gasthuis, Ktr. Haarlem 11 oktober 2000 en 14 maart 2001, JAR 2001/88; Mallaihollo/Van Gend & Loos, Rb Almelo 24 juli 2002, JAR 2002/243; Fidanidis/Regionale Omroepstichting Utrecht, Ktr. Utrecht 5 juni 2002, JAR 2002/184; Dreissen/Rabobank, Ktr. Nijmegen 27 september 2002, JAR 2002/251.

[8] Ktr. Amsterdam 4 oktober 2001, JAR 2001/223 en Ktr. Middelburg 31 mei 2000 en 4 december 2000, JAR 2001/5 en Rb. Middelburg 10 januari 2001 (hoger beroep, benoeming deskundige ten aanzien van causaal verband, niet gepubliceerd).

[9] Zo werd geoordeeld in De Rooy/Delta Lloyd, Ktr. Amsterdam 29 augustus 2002, JAR 2002/229 en Campen/Köpcke, Ktr. Brielle 23 maart 2002, JAR 2002/82.

[10] Rb. Amsterdam 9 april 2003, JAR 2003/139 (hoger beroep van JAR 2001/223).

[11] Rb. Amsterdam 2 juli 2003, JAR 2003/259.

[12] Uit het rapport is in punt 9 van het vonnis de volgende passage geciteerd: “Risicofactoren voor RSI zijn volgens de Gezondheidsraad onder meer: overmatig uitoefenen van kracht, werken in ongemakkelijke houdingen, voortdurend werken in dezelfde houding (statische belasting) en repeterende bewegingen. Psychosociale arbeidsgebonden factoren leiden op zichzelf niet tot RSI-klachten maar kunnen er in combinatie met fysieke factoren aan bijdragen. Nog vrijwel niets is bekend over de bijdrage aan de kans op RSI van persoonsgebonden factoren. Inzicht in de pathofysiologie van RSI-klachten en in het relatieve belang van verschillende risicofactoren vormt een belangrijke basis voor preventieve maatregelen. De stand van de wetenschap op het gebied van RSI-factoren is nog ontoereikend voor normstelling. Bewijskracht voor de effectiviteit van preventieve maatregelen ontbreekt vrijwel volledig.”

 

[13] Zie noot 10.

[14] Tegengesteld aan deze uitspraken werd er echter op 4 september 2002 door de rechtbank Arnhem in hoger beroep  (Ktr. Wageningen en Rb. Arnhem 4 september 2002 en 13 september 2001, JAR 2002/256 (Van der Graaff/Boni-markten)geoordeeld dat causaal verband op grond van de zogenaamde omkeringregel in beginsel gegeven is indien komt vast te staan dat de werkgever in zijn zorgplicht tekort is geschoten. De rechtbank oordeelde dat het vervolgens aan de werkgever is om te bewijzen dat de klachten ook zonder dit tekortschieten zouden zijn ontstaan.

[15] Ktr. Amsterdam 24 april 2002, JAR 2003 / 21.

[16] De werknemer had medisch onderzoek overgelegd, dat zij op verzoek van de verzekeraar van de werkgever had ondergaan. Tevens had zij een ergonomisch advies in het geding gebracht dat werd opgesteld door een ergonoom ten aanzien van de werkplek van de werknemer.

[17] Ktr. Utrecht 17 juli 2002, JAR 2003 / 31.

[18] Ktr. Haarlem 22 januari 2003, JAR 2003/48.

[19] Ktr. Apeldoorn 16 april 2003, JAR 2003/113.

[20] Uit de uitspraak kan niet worden afgeleid op welke medische rapporten deze conclusie is gebaseerd. In het vonnis wordt ook verwezen naar een verklaring van een orthopeed die schrijft dat de klachten mogelijk ook al enige jaren voor het dienstverband bestonden.

[21] Ktr. Brielle 11 maart 2003, JAR 2003/93 en JAR 2002/82.

[22] De deskundige baseert dat oordeel op het feit dat niet werkgerelateerde kenmerken en omstandig­heden een rol kunnen spelen, er onduidelijkheid bestaat over de werkplekopstelling, het beloop van het ontstaan van de aandoening van Campen a-typisch is voor een RSI-aandoening, de behandelend specialisten geen relatie hebben gelegd met de werkomstandig­heden en op het feit dat het moeilijk te begrijpen is dat Campen na vier jaar nog ernstige fysieke klachten heeft.

[23] Ktr. Middelburg 1 september 2003, JAR 2003/269.

[24] Zie in dit kader ook T. Hartlief, ‘Wat kan art. 7:658 BW betekenen voor werknemers met RSI?’, NTBR 2002/1, p. 2-6.  

[25] HR 12 september 2003, JAR 2003, 242

[26] art. 4 Arbowet

[27] Zie de recent gestelde kamervragen van de leden Bussemaker en Stuurman aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de afwikkeling van schadeclaims bij beroepsziekten d.d. 30 december 2003 naar aanleiding van berichten van bureau beroepsziekten FNV, nr 2030405360 vergaderjaar 1003-1004, Vragen.