Het leerstuk van de werkgeversaansprakelijkheid blijft volop in beweging. De Hoge Raad heeft zich de afgelopen jaren veelvuldig uitgesproken over werkgeversaansprakelijkheid in geval van beroepsziekten en bedrijfsongevallen. Over aansprakelijkheid voor schade als gevolg van RSI is door de Hoge Raad nog niet beslist. Lagere rechters hebben zich hier al wel in diverse vormen over uitgesproken. Waar eerst nog een zeer wisselend beeld naar voren kwam, lijkt in 2003 de rechtspraak ten aanzien van werkgeversaansprakelijkheid voor RSI-schade een duidelijke richting te zijn ingeslagen. In dit artikel gaan wij in op die rechtspraak.
Art. 7:658 BW en RSI
Net als bij andere beroepsziekten,
is toepassing van artikel 7:658 BW bij RSI-schade gecompliceerder dan bij
bedrijfsongevallen. Het probleem zit hem vooral in de zogenaamde stelplicht
voor de werknemer. De stelplicht ex artikel 7:658 BW houdt in dat de werknemer
voldoende aannemelijk moet maken dat hij schade heeft geleden in de uitoefening
van de werkzaamheden. De werkgever is in dat geval aansprakelijk, tenzij hij
aantoont dat aan de zorgplicht is voldaan. Dat houdt in dat er voldoende
voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om de schade te voorkomen of dat eventuele
veiligheidsmaatregelen de schade ook niet hadden kunnen voorkomen. Bij
bedrijfsongevallen is de stelplicht zelden een probleem: het is meestal wel
duidelijk dat de schade is veroorzaakt door het ongeval. Vooral de toedracht
van het ongeval en de eventuele nalatigheid van de werkgever is dan onderwerp
van geschil. Over het ontstaan van RSI-klachten bestaat echter nog zoveel
onduidelijkheid dat de werknemer zijn stelplicht niet eenvoudig kan vervullen.
Het causaal verband tussen de schade als gevolg van RSI en het werk bij de
werkgever is immers niet per definitie gegeven. Ook de bewijslast voor de
werkgever ten aanzien van de naleving van de zorgplicht is een probleem, nu
normstelling op het gebied van RSI ontbreekt. Het is namelijk nog altijd niet
duidelijk welke factoren RSI veroorzaken.
Het grootste verschil van mening bestaat vooralsnog over de vraag hoe ver de
stelplicht van de werknemer reikt: moet de werknemer nu eerst het causaal
verband tussen de RSI-klachten en het werk aannemelijk maken of staat dat
causaal verband vast zodra blijkt dat de werkgever zijn zorgplicht niet is
nagekomen? Ter beantwoording van deze vraag wordt onder meer aansluiting
gezocht bij de Hoge Raad-uitspraken Unilever/Dikmans[1]
en Weststrate c.s./De Schelde[2].
De reikwijdte van de stelplicht
In het arrest Unilever/Dikmans
van 17 november 2000 oordeelde de Hoge Raad dat het in geval van beroepsziekten
voldoende kan zijn dat de werknemer aantoont dat hij is blootgesteld geweest
aan gevaarlijke stoffen en gemotiveerd stelt dat hij daardoor ziek is geworden.
De werknemer hoeft in zo’n geval niet te bewijzen welke stof op welk moment de
ziekte heeft veroorzaakt. Het is aan de werkgever om in gevallen waarin kan
worden vastgesteld dat er in het verleden met gevaarlijke stoffen is gewerkt,
te bewijzen dat geëigende maatregelen zijn genomen om de schade van de
werknemer te voorkomen. Als de werkgever niet slaagt in dat bewijs, wordt het
causaal verband aangenomen.
Met dit arrest heeft de Hoge Raad de stelplicht en de daarbij horende
bewijslast van de werknemer bij blootstelling aan gevaarlijke stoffen
aanzienlijk verlicht. Men kan zich zelfs afvragen of de Hoge Raad hiermee heeft
besloten tot omkering van de bewijslast ten aanzien van de causaliteit tussen
de schade en het werk, in die zin dat ook die bewijslast voortaan bij de
werkgever dient te liggen. De Hoge Raad formuleerde in dit arrest namelijk de
volgende omkeringsregel: “Wanneer een werknemer bij zijn werk is
blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen, moet het door de
werknemer te bewijzen oorzakelijk verband aangenomen worden indien de werkgever
heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te
voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade
lijdt.”
In het kort daarna gewezen arrest Weststrate c.s./De Schelde van 26
januari 2001, stelde de Hoge Raad echter grenzen aan de verlichting van de
stelplicht van de werknemer en de bewijslast ten aanzien van de causaliteit. Het
ging hier om een asbestzaak waarin de blootstelling aan asbest door de
werkgever was betwist. Nu niet was aangetoond dat de werknemer mogelijk in de
uitoefening van het werk was blootgesteld aan asbest, oordeelde de Hoge Raad
dat de schade die de werknemer stelt te hebben geleden, nog niet tot
aansprakelijkheid van de werkgever leidt. Kortom, de verlichting van de
stelplicht van de werknemer gaat niet zover dat de werknemer niet meer zou
hoeven aan te tonen dat hij is blootgesteld geweest aan een gevaarlijke stof of
situatie waardoor de schade veroorzaakt kan zijn. De door de Hoge Raad
geformuleerde omkeringregel heeft derhalve als uitgangspunt dat eerst dient
vast te staan dat de werknemer is blootgesteld aan voor de gezondheid
gevaarlijke stoffen. De blootstelling aan gevaarlijke stoffen tijdens het werk
moet zonder meer door de werknemer worden gesteld en zonodig bewezen.[3]
Als aan die beperkte stelplicht is voldaan, bestaat er echter wel een zogenaamd
bewijsvermoeden, in die zin dat de rechter er vooralsnog vanuit gaat dat de
werknemer is geslaagd in de bewijslevering ten aanzien van het causaal verband,
tenzij de werkgever kan aantonen dat de zorgvuldigheidsnorm niet is geschonden
of dat de schade ook zou zijn ontstaan zonder schending van de norm.[4]
Advocaten die werknemers bijstaan
in RSI-zaken doen ten aanzien van de reikwijdte van de stelplicht vaak een
beroep op het arrest Unilever/Dikmans. Veelal wordt dan aangevoerd dat de
werknemer slechts hoeft te stellen dat hij RSI-klachten heeft gekregen, door de
arbeidsomstandigheden bij de werkgever, waarna de bewijslast naar de werkgever
verschuift die nu eerst zal moeten aantonen dat aan de zorgplicht tot
voorkoming van RSI-klachten is voldaan. Voorstanders van die theorie gaan er
derhalve vanuit dat de stelplicht van de werknemer eigenlijk volledig is
uitgehold: zodra er RSI-klachten zijn, is de werkgever aansprakelijk, tenzij
deze kan aantonen dat er voldoende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen, of dat
die maatregelen de schade niet hadden kunnen voorkomen. De klachten worden dan
vermoed tijdens het werk te zijn ontstaan als de werkgever niet slaagt in zijn
bewijslast ten aanzien van de nakoming van de zorgplicht. Volgens hen is het
dus voldoende als de werknemer stelt dat er mogelijke blootstelling is geweest
aan risicofactoren die de schade zouden hebben kunnen veroorzaken.[5]
Tegenstanders van de stelling dat de stelplicht van de werknemer volledig zou
zijn uitgehold, verwijzen steevast naar het arrest Weststrate c.s./De
Schelde. Zij zijn van mening dat de werknemer ten minste voldoende
duidelijk moet maken dat de RSI-schade verband kan houden met het werk. Uit
deze arresten van de Hoge Raad blijkt immers dat de werknemer eerst voldoende
aannemelijk zal moeten maken dat er sprake is geweest van blootstelling aan
omstandigheden of factoren die de geleden schade hebben kunnen veroorzaken.
Beide arresten spelen een belangrijke rol bij de beoordeling van RSI-zaken door
lagere rechters. De toepassing van deze arresten op RSI-zaken komt terug in de
meeste zaken, zoals hierna wordt toegelicht, en geeft niet altijd een
consistent beeld van de eisen die worden gesteld aan het causaliteitsbewijs.
Hoe ontwikkelt de lagere rechtspraak zich ten aanzien van RSI?
Vorig jaar werden in dit blad de
tot en met november 2002 gepubliceerde RSI-uitspraken beschreven.[6]
In het artikel werden tien RSI-zaken besproken aan de hand van de problematiek
ter zake van de bewijslastverdeling tussen werkgever en werknemer. Uit die
uitspraken blijkt dat een belangrijk aantal kantonrechters geen al te grote
bezwaren heeft tegen het aannemen van causaal verband tussen RSI-klachten en de
werkzaamheden, mits artsen of andere deskundigen dat verband aannemelijk
achten.[7]
Er zijn echter ook uitspraken waarin kantonrechters het causaal verband niet
zonder meer aannemen en de werknemer eerst een bewijsopdracht geven om
aannemelijk(er) te maken dat hij inderdaad RSI-klachten in de uitoefening van
zijn werkzaamheden heeft opgelopen. Dit betreffen uitspraken waarbij door de
kantonrechter aan de stelplicht van de werknemer nadere voorwaarden worden
gesteld.[8]
Er zijn voorts zaken waarin de bewijsvolgorde wordt omgekeerd in die zin dat de
werkgever eerst de opdracht krijgt te bewijzen dat de zorgplicht niet is
geschonden. Pas daarna zal de stelplicht van de werknemer ten aanzien van het
causaal verband tussen de RSI-klachten en de werkzaamheden in beeld kunnen
komen. Tot slot zijn er kantonrechters die problemen met de bewijslastverdeling
oplossen door beide partijen tegelijkertijd een bewijsopdracht te geven. De
werknemer moet dan het causaal verband aannemelijk maken, terwijl de werkgever
tegelijkertijd moet aantonen dat de zorgplicht niet is geschonden.[9]
Het beeld dat volgt uit deze eerste uitspraken is – kortom - sterk wisselend.
In 2003 zijn acht uitspraken inzake RSI gepubliceerd. Daaruit blijkt opnieuw
het spanningsveld tussen enerzijds de reikwijdte van de stelplicht van de
werknemer en anderzijds de zorgplicht van de werkgever. De rechters blijken
minder snel geneigd tot omkering van de bewijsvolgorde zolang het (minimale)
causaal verband tussen de schade en het werk nog niet vaststaat: in zes van
deze acht uitspraken wordt geoordeeld dat het causaal verband eerst voldoende
aannemelijk moet worden gemaakt, voordat de eventuele schending van de zorgplicht
aan de orde kan komen. In het hierna volgende zullen wij de gepubliceerde
uitspraken van 2003 uitgebreid bespreken en zullen wij bezien of er een trend
zichtbaar is ten aanzien van de stelplicht en de zorgplicht bij RSI-schade.
In 2003 is in een tweetal hoger
beroep zaken de reikwijdte van de stelplicht en de verdeling van de bewijslast
aan de orde gesteld. Het ging om de zaken Van Hulst/Accenture[10]
en Davelaar/NOS[11].
Beide uitspraken zijn van de rechtbank Amsterdam en bevestigen het beeld dat de
werknemer eerst het causaal verband tussen de RSI-schade en de werkzaamheden
voldoende aannemelijk dient te maken, alvorens de zorgplicht van de werkgever
in beeld komt.
Van Hulst/Accenture
In de zaak Van Hulst/Accenture geeft de kantonrechter in eerste aanleg
een bewijsopdracht aan Van Hulst, waarbij de kantonrechter voorstelt een
deskundige te benoemen die het causaal verband dient vast te stellen tussen de
schade die Van Hulst stelt te hebben geleden en de werkzaamheden voor Accenture.
Van Hulst gaat in hoger beroep van dit tussenvonnis en vordert omkering van de
bewijsvolgorde in die zin dat Accenture zal worden belast met het bewijs dat de
zorgplicht ex artikel 7:658 BW jegens Van Hulst is nageleefd. De rechtbank
stelt Van Hulst in het ongelijk en bekrachtigt het tussenvonnis van de
kantonrechter dat eerst het causaal verband tussen de schade en het werk dient
te worden vastgesteld. De rechtbank onderbouwt haar standpunt met het rapport
van de Gezondheidsraad van 27 november 2000 over RSI.[12]
De rechtbank oordeelt dat zij zich, gezien het standpunt van de
Gezondheidsraad, kan vinden in de overweging van de kantonrechter “dat over
RSI zelf, over het ontstaan daarvan, de bestrijding en voorkoming ervan, thans
nog veel onzekerheid bestaat”. Van Hulst dient de precieze aard van haar
klachten eerst nader te preciseren en te onderbouwen. Een door Van Hulst reeds
overgelegde brief van een deskundige is volgens de rechtbank voor die aanname
nog onvoldoende.
De informatie die door Van Hulst is overgelegd over de werkomstandigheden en de naleving van de zorgplicht door Accenture vindt de rechtbank te algemeen van aard. Ook de stellingen ten aanzien van de werkomstandigheden moeten nader worden uitgewerkt. De rechtbank geeft echter reeds aan dat wanneer Van Hulst de stellingen op dat punt nader heeft uitgewerkt, van de werkgever vervolgens mag worden gevergd dat hij de omstandigheden aangeeft die meer in zijn sfeer liggen dan in die van de werknemer.
De rechtbank gaat ook in op het arrest Unilever/Dikmans. Hierover overweegt de rechtbank dat, in tegenstelling tot de situatie in Unilever/Dikmans, in de zaak Van Hulst/Accenture nog niet vaststaat dat sprake is van een ziektebeeld dat te wijten kan zijn aan de werksituatie. De rechtbank overweegt voorts: “Gelet op de inhoud van het advies van de Gezondheidsraad is het immers nog de vraag of en wanneer het werken achter een beeldscherm valt te vergelijken met het blootgesteld zijn aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen zoals de in de zaak Unilever/Dikmans aan de orde zijnde chemicaliën. Er is dus (nog) geen sprake van een situatie waarin het door Van Hulst te bewijzen oorzakelijk verband aangenomen moet worden indien Accenture niet aangeeft op welke wijze zij invulling heeft gegeven aan de op haar op grond van artikel 7:658 BW rustende zorgplicht ten aanzien van Van Hulst. Het beroep op genoemd arrest gaat vooralsnog dus niet op.”
Davelaar/NOS
De andere zaak waarin de rechtbank Amsterdam in hoger beroep heeft beslist, is
de zaak Davelaar/NOS. Er is beroep ingesteld tegen een tussenvonnis van
de kantonrechter te Hilversum, waarin het causaal verband tussen werk en ziekte
wordt aangenomen. Aan de hand van rapporten van een revalidatiearts, een
internist en een reumatoloog heeft de kantonrechter te Hilversum geoordeeld
dat het causaal verband voldoende aannemelijk is geworden. Die rapporten zijn
voor de kantonrechter, tezamen met het feit dat Davelaar computerwerkzaamheden
heeft verricht en mede gelet op de omstandigheden waaronder die werkzaamheden
zijn verricht, voldoende om causaal verband aannemelijk te achten. De rechtbank
Amsterdam verwijst in hoger beroep opnieuw naar het rapport van de
Gezondheidsraad[13]
. Het enkele feit dat Davelaar bij de NOS werkzaamheden verricht die volgens
dat rapport als risicofactor voor het ontstaan van RSI kunnen worden
aangemerkt, is op zichzelf volgens de rechtbank onvoldoende bewijs dat Davelaars
aandoening derhalve ook het gevolg van de werkzaamheden is. De rapporten van de
door de Davelaar geraadpleegde deskundigen zijn voor die conclusie nog
onvoldoende bewijs.
Ook in deze uitspraak wordt opnieuw expliciet beslist dat het arrest Unilever/Dikmans
niet toepasselijk is op een situatie waarin de werknemer RSI-klachten heeft.
De rechtbank wijst een omkering van de bewijslast dan ook expliciet af. De
rechtbank oordeelt dat Davelaar gehouden is tot levering van het bewijs van het
causaal verband tussen de RSI-klachten en de werkzaamheden en dat het
noodzakelijk is dat een onafhankelijk deskundige zich zal uitlaten over de bij Davelaar
geconstateerde klachten. Voorts oordeelt de rechtbank dat onafhankelijk
onderzoek ook nodig is omdat de NOS nog op geen enkele wijze betrokken is
geweest bij de vraagstelling aan de door Davelaar ingeschakelde deskundigen en
omdat twee van die deskundigen tevens behandelaar van Davelaar zijn.
Kortom: de lijn van de jurisprudentie in hoger beroep is een krachtige onderstreping van het belang van de stelplicht in RSI-zaken en afwijzing van de toepasselijkheid van Unilever / Dikmans .[14]
Er zijn in 2003 twee vonnissen van
kantonrechters gepubliceerd waarin de werknemer de opdracht krijgt het causaal
verband tussen de RSI-klachten en de werkzaamheden te bewijzen. In twee andere
zaken waren de kantonrechters ook van oordeel dat eerst aan de stelplicht moet
zijn voldaan alvorens de zorgplicht in beeld kwam, maar vonden de rechters het
causaal verband al voldoende duidelijk. Daarnaast zijn er nog twee uitspraken
waar de rechter de bewijsvolgorde omdraait en dus eerst nagaat of de werkgever
niet te kort is geschoten in de zorgplicht. Wij zullen deze zes uitspraken
hierna kort achter elkaar bespreken.
In deze zaak stelt de werknemer dat
de klachten het gevolg zijn van veel beeldschermwerk bij de werkgever, het
maken van lange uren en het niet voldoen van de werkplek aan de wettelijke
voorschriften. De werkgever betwist de stellingen en voert aan dat de klachten
van de werknemer even goed in de privé-sfeer kunnen zijn ontstaan. De
kantonrechter te Amsterdam oordeelt dat het enkele feit dat de klachten
mogelijk zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden, niet volstaat. Ook deze
rechter verwijst naar het rapport van de Gezondheidsraad en acht van belang dat
over RSI nog te weinig bekend is om aan de ontstaansredenen ervan zekerheden te
ontlenen. De door de werknemer overgelegde medische en ergonomische stukken
acht de kantonrechter niet van dien aard dat daaruit reeds de causaliteit kan
worden afgeleid.[16]
G-/D- en C-[17]
In deze zaak oordeelt de kantonrechter te Utrecht eveneens dat niet is komen
vast te staan dat de werknemer heeft geleden en/of nog lijdt aan RSI. De
werknemer heeft een medische status van de Arbo-arts overgelegd, een verklaring
van de fysiotherapeut, overzichten van de behandeling door zijn huisarts en een
rapport van een revalidatiecentrum. In die verschillende rapportages wordt de
diagnose RSI slechts ‘waarschijnlijk’ genoemd en daarom was de kantonrechter
van oordeel dat de werknemer eerst bewijs dient te leveren van de aard en
omvang van zijn ziekte. De kantonrechter stelt voorts dat de bewijsvolgorde
zich in beginsel leent voor omkering, in die zin dat niet werknemer G-
moet bewijzen dat de ziekte in de uitoefening van de werkzaamheden is ontstaan,
maar dat werkgevers C- en D- moeten bewijzen dat zij hun zorgplicht
zijn nagekomen. Maar, oordeelt de kantonrechter, voor een dergelijke omkering
is geen grond als de werknemer van het causaal verband tussen zijn ziekte en
het werk geen begin van bewijs heeft geleverd en dit verband ook niet
onmiddellijk aannemelijk is. Naar ons oordeel zoekt de kantonrechter hiermee
aansluiting bij het arrest Weststrate c.s /De Schelde, waaruit
voortvloeit dat de werkgever niet aansprakelijk kan zijn voor schade waarvan
niet duidelijk is of deze in de uitoefening van de werkzaamheden is geleden.
Evenhuis/Infocandy
De kantonrechter te Haarlem, in de zaak Evenhuis/Infocandy[18],
oordeelt ook dat het causaal verband voldoende aannemelijk moet zijn alvorens
wordt toegekomen aan de bewijslast van de werkgever ten aanzien van de
zorgplicht. In deze zaak vindt de kantonrechters het causaal verband tussen de
schade en het werk echter wel voldoende aannemelijk. Door een neuroloog en een
arts van het GAK wordt RSI gediagnosticeerd. Op basis van deze diagnoses, het
feit dat de werknemer regelmatig langdurig en onder een hoge werkdruk werkte,
en vrijwel alleen beeldschermwerk deed, acht de kantonrechter een causaal
verband aannemelijk. De werkgever wordt in de gelegenheid gesteld om te
bewijzen dat hij zijn zorgplicht is nagekomen of dat nakoming van zijn
zorgplicht de arbeidsongeschiktheid niet zou hebben kunnen voorkomen. Infocandy
betwist het causaal verband en vraagt om benoeming van een deskundige die zich
kan uitlaten over het causaal verband. De kantonrechter is evenwel van mening
dat een onafhankelijk deskundigenrapport niet nodig is, nu Infocandy geen
feiten heeft aangevoerd op grond waarvan de oorzaak van de klachten van Evenhuis
redelijkerwijs (uitsluitend) buiten de werksfeer gezocht moet worden. Het feit
dat Evenhuis voor en na zijn ziekmelding ook thuis beeldschermwerk heeft
verricht, leidt niet tot een ander oordeel. Dit feit kan hooguit bij de
bepaling van de omvang van de schadevergoedingsplicht van Infocandy nog van
belang zijn.
Van den Berg/Eurema[19]
In deze zaak is de kantonrechter te Apeldoorn ook van oordeel dat de werkneemster aan haar stelplicht op grond van artikel 7:658 BW heeft voldaan. De kantonrechter neemt in deze zaak aan dat de werknemer tijdens de duur van het dienstverband RSI-klachten heeft ontwikkeld door veel beeldschermwerk te doen.[20] De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden door niet tijdig aandacht te besteden aan de inrichting van werkplekken, althans niet heeft voorkomen dat de klachten zich verergerden. Werkgever heeft te weinig gedaan en is te laat in actie gekomen, hetgeen de kantonrechter bestempelt als “too little too late”. De kantonrechter baseert zijn oordeel voorts op het Besluit Beeldschermwerk/artikel 5.10 Arbobesluit ten aanzien van beeldschermwerk. Op grond daarvan had de werkgever, naar het oordeel van de kantonrechter, er op moeten toezien dat de werknemer niet te lang achter de computer zou werken. De rechter overweegt hierover: “Uit de stukken blijkt van een – kennelijk té – enthousiaste inzet van eiseres bij het werk, welke gedaagde, ook in het belang van eiseres zelf, had behoren te temperen.”
Campen/Köpcke[21].
Tot slot zijn er in 2003 nog twee uitspraken gepubliceerd waarin de
kantonrechters de bewijsvolgorde omdraaien. De kantonrechter te Brielle deed
dit in de zaak Campen/Köpcke. Deze zaak betreft het eindvonnis, volgend
op het tussenvonnis dat in 2002 is gepubliceerd. Bij dit tussenvonnis
oordeelde de kantonrechter dat de werkgever zal worden toegelaten tot bewijs
van de naleving van de zorgplicht. De deskundige die op grond daarvan werd
benoemd, laat zich echter niet alleen uit over de zorgplicht, maar ook over het
causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid van de werknemer en zijn
werkzaamheden. Onder verwijzing naar het Besluit Beeldschermwerk en de door Köpcke
opgestelde Risico-Inventarisatie en het Plan van Aanpak concludeert de
deskundige dat Köpcke ten aanzien van de inrichting van beeldschermwerkplekken
in zijn zorgplicht is tekort geschoten. Köpcke diende op de adviezen van de
Arbeidsinspectie sneller te reageren. Die adviezen waren concreet genoeg om
direct tot actie over te gaan. De kantonrechter deelt de mening van de
deskundige en stelt vast dat Köpcke zich niet actief genoeg had opgesteld om
‘kenbare risico’s zoveel mogelijk te elimineren’. De deskundige oordeelt,
ongevraagd, dat het causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid van Campen
en de werkzaamheden bij Köpcke niet duidelijk is en naar objectieve maatstaven
niet aannemelijk.[22]
Campen legt in reactie op dit deskundigenoordeel commentaren van artsen over
die de conclusies van de deskundige gemotiveerd weerspreken. De kantonrechter
oordeelt dat het debat tussen de medisch deskundigen ertoe heeft geleid dat
onduidelijk is of de visie van de deskundige juist is. Om deze reden is ook het
causaal verband niet eenduidig aan te nemen. De kantonrechter stelt dat Köpcke
aansprakelijk was voor de schade die Campen heeft geleden, nu wel vaststaat dat
de zorgplicht is geschonden.
Thier/Groeneveld[23]
Ook de kantonrechter te Middelburg
keert de bewijsregel om. Een neuroloog stelt vast dat de klachten van de
werknemer door het werk veroorzaakt zijn. Er was sprake van een langdurige
statische belasting in een verkeerde werkhouding in combinatie met een hoge
werkdruk. De kantonrechter te Middelburg oordeelt gemotiveerd dat de stelplicht
van de werknemer beperkt is tot het bewijs dat de klachten waren voorafgegaan
door activiteiten in loondienst met herhaalde bewegingen of een statische
houding. Daarbij is volgens de kantonrechter nog wel een oordeel van een arts
nodig die de RSI vaststelt en een causale relatie met het werk legt. Volgens
deze kantonrechter hoeft de werknemer echter geen werkelijk oorzakelijk verband
aan te tonen. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever tekort is geschoten in
de nakoming van zijn zorgplicht door de wettelijke normen inzake de inrichting
van de werkplek niet na te leven en door een te hoge werkdruk. De werkgever
wordt aansprakelijk geacht voor de schade van de werknemer. De kantonrechter
interpreteert de zaak Unilever/Dikmans zo dat de werknemer géén causaal
verband hoeft aan te tonen. De kantonrechter overweegt dat de wet geen
oorzakelijk verband vereist tussen de schade en uitoefening van de
werkzaamheden. Volgens deze kantonrechter staat in de wet de zorgplicht van de
werkgever feitelijk en inhoudelijk voorop.
Wat betekenen voornoemde uitspraken
nu voor de stand van zaken ten aanzien van werkgeversaansprakelijkheid en RSI?
Indien we de uitspraken naast elkaar leggen, kan daaruit de conclusie
worden getrokken dat bij gebreke van een duidelijke vingerwijzing van de Hoge
Raad kantonrechters nog altijd worstelen met de omvang van de stelplicht van
de werknemer. Als kantonrechters eenmaal van oordeel zijn dat aan die
stelplicht is voldaan, lijken zij minder moeite te hebben met een oordeel over
de schending van de zorgplicht door de werkgever. Opvallend daarbij is dat in
alle gevallen waarin kantonrechters de zorgplicht van de werkgever uiteindelijk
beoordelen, ondanks het ontbreken van duidelijke normstelling voor de preventie
van RSI, wordt geoordeeld dat werkgevers die zorgplicht hebben geschonden.
Werkgevers worden bovenal niet in alle gevallen nog in de gelegenheid gesteld
bewijs te leveren dat de schade ook zou zijn ontstaan indien de zorgplicht wel
in acht zou zijn genomen.
Wat de omvang van de stelplicht van de werknemer betreft zijn natuurlijk de
hoger beroep zaken van de rechtbank Amsterdam van groot belang. De rechtbank is
van oordeel dat, anders dan in Unilever/Dikmans, bij RSI nog niet vaststaat dat
sprake is van een ziektebeeld dat te wijten kan zijn aan de
arbeidsomstandigheden. Het is volgens de rechtbank nog maar de vraag of
beeldschermwerk wel te vergelijken is met het worden blootgesteld aan
gevaarlijke stoffen. Kennelijk rechtvaardigt in de visie van de rechtbank
Amsterdam een andere gevaarzetting, namelijk beeldschermwerk, ook een andere
omvang van de stelplicht door de werknemer. De rechtbank heeft hierin naar onze
mening gelijk. Immers, de verlichting van die stelplicht wordt door de Hoge
Raad aangenomen in zaken waar de verwezenlijking van gevaren direct gerelateerd
is aan het werken met bepaalde gevaarlijke stoffen. Het risico dat een bepaald,
voor die gevaarlijke stof specifiek, gevaar (bijvoorbeeld asbestose) zich
verwezenlijkt, zal sneller worden aangenomen indien de werknemer aantoont dat
hij met de betreffende stof heeft gewerkt. Diezelfde redenering kan echter -
nog - niet worden toegepast op een activiteit als beeldschermwerk. Immers de
oorzaak van het ontstaan van RSI staat nog altijd niet vast en een mogelijke
overtreding van bijvoorbeeld het Beeldschermbesluit betekent nog niet dat het
gevaar van RSI-schade zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt. Wat ons betreft
mogen om die reden dan ook hogere eisen worden gesteld aan de stelplicht van
de werknemer in RSI-zaken.
Wat de zorgplicht van de werkgever
betreft zijn de rechters vooralsnog opvallend snel geneigd om schending aan te
nemen. Dit lijkt onterecht, nu een duidelijke normstelling - ook volgens de
Gezondheidsraad - nog ontbreekt. Ten aanzien van de zorgplicht van de werkgever
definieert de Gezondheidsraad weliswaar een aantal risicofactoren die tot een
verhoogde kans op RSI-klachten kunnen leiden, maar de raad constateert ook dat
de stand van de wetenschap op het gebied van RSI-factoren nog ontoereikend is
voor normstelling. Bewijs voor de effectiviteit van preventieve maatregelen
ontbreekt vrijwel volledig. Op dit punt lijken de medische deskundigen aan zet
en dienen juristen wellicht pas op de plaats te maken. In de tussentijd dienen
werkgevers zich - vanzelfsprekend - in hun huidige preventiebeleid te richten
op risico´s die wel bekend zijn.[24]
Zolang een duidelijke normstelling ten aanzien van het ontstaan en de preventie
van RSI nog ontbreekt, achten wij een terughoudende opstelling ten aanzien
van de beoordeling van de nakoming van de zorgplicht door de werkgever op zijn
plaats. Bij gebreke van een duidelijke normstelling zal het voor de werkgever
immers vrijwel onmogelijk zijn om bewijs ten aanzien van naleving van de
zorgplicht te leveren.
Ook als rechters van oordeel zijn dat er wel voldoende duidelijke normstelling
bestaat, rechtvaardigt overigens niet elke tekortkoming de conclusie dat er dus
ook sprake is van een tekortkoming in de zorgplicht. We wijzen in dit kader op
de uitspraak van de Hoge Raad van 12 september 2003[25].
In deze zaak had de werkgever verzuimd de wettelijk verplichte Risico-Inventarisatie
& Evaluatie[26]
op te stellen. Toen zich vervolgens een arbeidsongeval voordeed, stelde de
werknemer zich op het standpunt dat de toepassing van artikel 7:658 lid 2 BW
géén causaal verband meer vereiste tussen het ongeval en de door de werkgever te
treffen (maar niet getroffen) veiligheidsmaatregelen. De werkgever dient
volgens de werknemer eerst te bewijzen dat de schade zich ook zou hebben
voorgedaan indien hij wel aan zijn wettelijke verplichting had voldaan. De Hoge
Raad oordeelt echter dat die stelling op een onjuiste rechtsopvatting berust.
Al aangenomen dat het ontbreken van een bijgewerkte en geëvalueerde Risico-Inventarisatie
& Evaluatie een tekortkoming van de werkgever in de zorgplicht inhoudt, kan
volgens de Hoge Raad ook in dat geval de werkgever nog aan zijn aansprakelijkheid
ontkomen door aan te tonen dat een correcte Risico-Inventarisatie &
Evaluatie het ongeval toch niet zou hebben kunnen voorkomen. Schending van een
wettelijke verplichting kan derhalve niet per definitie leiden tot de conclusie
dat de zorgplicht is geschonden en hoeft dus ook niet tot een aanname van
causaliteit te leiden.
Als wordt aangenomen dat de werknemer aan de stelplicht heeft voldaan en de
werkgever de zorgplicht heeft geschonden, moet de werkgever vervolgens ook nog
in voldoende mate in de gelegenheid worden gesteld om het bewijs te leveren dat
de schade ook zou zijn ontstaan indien hij de zorgplicht en/of veiligheidsnorm
wél in acht zou hebben genomen. De werkgever is daarbij afhankelijk van een
onafhankelijke medische expertise en het verrichten van een eigen onderzoek.
Het lijkt dat de rechters vooralsnog onvoldoende gelegenheid geven aan de
werkgevers om dat bewijs daadwerkelijk te leveren. Veelal nemen de rechters
genoegen met deskundigenrapportages die door de werknemer al zijn ingebracht.
Die deskundigenrapportages gaan meestal over het verband tussen de schade en
het werk, dan wel het ontstaan of bestaan van de schade. Daarin zal de
vraagstelling of de schade ook zou kunnen zijn ontstaan indien wél voldoende
voorzorgsmaatregelen waren getroffen, vaak niet aan de orde komen. Dat is
immers een vraagstelling die typisch samenhangt met het belang van de
werkgever.
Conclusie
Wij vinden de geconstateerde verscherping van de stelplicht een goede
ontwikkeling, die volgens ons geheel in lijn is met de jurisprudentie van de
Hoge Raad. Wij plaatsen echter wel vraagtekens bij de rechterlijke beoordeling
van de zorgplicht van de werkgevers. Naar onze mening is een aantal
kantonrechters in het afgelopen jaar ook te snel heengestapt over het recht van
de werkgever op onafhankelijke bewijsvergaring. Daardoor is de werkgever
onvoldoende in de gelegenheid gesteld het tegenbewijs van het causaal verband
tussen de geschonden zorgplicht en de schade van de werknemer ook daadwerkelijk
te leveren.
De resultaten van een door de
werknemer geraadpleegde deskundige blijken voor het leveren van het bewijs door
de werkgever veelal onvoldoende. De werkgever heeft een ander uitgangspunt en
zal dientengevolge ook andere vragen willen laten beantwoorden. Het recht op
een goede procesorde, vooral het beginsel van ‘equality of arms’, brengt naar
onze mening met zich dat de werkgever niet het recht mag worden ontzegd een
oordeel te vragen aan een onafhankelijke deskundige. De rol van de
onafhankelijke deskundige is inmiddels ook onderdeel geworden van een discussie
in de Tweede Kamer, naar aanleiding van berichten van het Bureau Beroepszieken
van de FNV dat werkgevers zich niet wensen neer te leggen bij één
deskundigenverklaring.[27]
Wij verwachten overigens dat door de Wet Verbetering Poortwachter de komende
jaren meer informatie beschikbaar zal komen over ontwikkeling en bestrijding
van de beroepsziekte RSI. RSI zou wellicht kunnen worden voorkomen indien al in
een vroeg stadium onder toezicht van een Arbo-arts maatregelen worden
getroffen. Tevens biedt de verslaglegging van het reïntegratieproces ruimte
voor de melding van eventuele (externe) factoren die bij het ontstaan van de
ziekte een rol hebben gespeeld. Factoren die op dit moment veelal wel bij
werkgevers bekend zijn, maar zelden goed zijn gedocumenteerd. Indien werkgever
en werknemer zich aan deze wet houden, zal het oordeel ´too little too late´
mogelijk niet snel meer voorkomen.
Home
Functie database
Download deze file naar uw tekstverwerker
Vragen over dit onderwerp kunt u zenden naar: huub van Osch
* Mevr. mr. drs. K. Kas en mr. H.W. van Osch zijn advocaat bij Baker & McKenzie te Amsterdam.
[1] HR 17 november 2000, JAR 2000, 261.
[2] HR 26 januari 2001, JAR 2001/39.
[3] Zie ook noot van W.H.D. Asser bij Unilever / Dikmans, HR 17 november 200, NJ 2001/596.
[4] Vgl. C.J.M. Klaassen, ‘Aansprakelijkheid voor arbeidsongevallen’, ArA 2001/2, p. 42-45. Klaassen gaat in op de ogenschijnlijke tegenstrijdigheid tussen enerzijds het door de Hoge Raad gehanteerde bewijsvermoeden bij beroepsziekten en anderzijds de omkeringsregel. Het aannemen van een bewijsvermoeden (het causaal verband wordt voorshands aannemelijk geacht) zou eigenlijk een lichtere vorm van tegenbewijs aan de kant van de werkgever dienen te rechtvaardigen. Nu de Hoge Raad van de werkgever expliciet verlangt te stellen en te bewijzen dat de schade ook zonder de normschendende gedraging zou zijn ontstaan, maakt het voor de bewijspositie van de werkgever kennelijk in de praktijk niet veel uit of gesproken wordt over een bewijsvermoeden of over omkering van de bewijslast.
[5] Zie ook A.J.C.M. Geers, J.M. Ruijgrok en R. van de Water, ‘RSI: de stand van zaken’, NJB 21 oktober 2003, aflevering 39.
[6] J.F. van Vlijmen en K. Kas, ‘RSI: de eerste oogst op grond van art. 7:658 BW’, ArbeidsRecht 2003, 1. Eerder: J.F. van Vlijmen en K. Kas, ‘RSI: een momentopname’, ArbeidsRecht 2001, 28.
[7] Zo werd geoordeeld in de zaken: Maselli/Kennemer Gasthuis, Ktr. Haarlem 11 oktober 2000 en 14 maart 2001, JAR 2001/88; Mallaihollo/Van Gend & Loos, Rb Almelo 24 juli 2002, JAR 2002/243; Fidanidis/Regionale Omroepstichting Utrecht, Ktr. Utrecht 5 juni 2002, JAR 2002/184; Dreissen/Rabobank, Ktr. Nijmegen 27 september 2002, JAR 2002/251.
[8] Ktr. Amsterdam 4 oktober 2001, JAR 2001/223 en Ktr. Middelburg 31 mei 2000 en 4 december 2000, JAR 2001/5 en Rb. Middelburg 10 januari 2001 (hoger beroep, benoeming deskundige ten aanzien van causaal verband, niet gepubliceerd).
[9] Zo werd geoordeeld in De Rooy/Delta Lloyd, Ktr. Amsterdam 29 augustus 2002, JAR 2002/229 en Campen/Köpcke, Ktr. Brielle 23 maart 2002, JAR 2002/82.
[10] Rb. Amsterdam 9 april 2003, JAR 2003/139 (hoger beroep van JAR 2001/223).
[11] Rb. Amsterdam 2 juli 2003, JAR 2003/259.
[12] Uit het rapport is in punt 9 van het vonnis de volgende passage geciteerd: “Risicofactoren voor RSI zijn volgens de Gezondheidsraad onder meer: overmatig uitoefenen van kracht, werken in ongemakkelijke houdingen, voortdurend werken in dezelfde houding (statische belasting) en repeterende bewegingen. Psychosociale arbeidsgebonden factoren leiden op zichzelf niet tot RSI-klachten maar kunnen er in combinatie met fysieke factoren aan bijdragen. Nog vrijwel niets is bekend over de bijdrage aan de kans op RSI van persoonsgebonden factoren. Inzicht in de pathofysiologie van RSI-klachten en in het relatieve belang van verschillende risicofactoren vormt een belangrijke basis voor preventieve maatregelen. De stand van de wetenschap op het gebied van RSI-factoren is nog ontoereikend voor normstelling. Bewijskracht voor de effectiviteit van preventieve maatregelen ontbreekt vrijwel volledig.”
[13] Zie noot 10.
[14] Tegengesteld aan deze uitspraken werd er echter op 4 september 2002 door de rechtbank Arnhem in hoger beroep (Ktr. Wageningen en Rb. Arnhem 4 september 2002 en 13 september 2001, JAR 2002/256 (Van der Graaff/Boni-markten)geoordeeld dat causaal verband op grond van de zogenaamde omkeringregel in beginsel gegeven is indien komt vast te staan dat de werkgever in zijn zorgplicht tekort is geschoten. De rechtbank oordeelde dat het vervolgens aan de werkgever is om te bewijzen dat de klachten ook zonder dit tekortschieten zouden zijn ontstaan.
[15] Ktr. Amsterdam 24 april 2002, JAR 2003 / 21.
[16] De werknemer had medisch onderzoek overgelegd, dat zij op verzoek van de verzekeraar van de werkgever had ondergaan. Tevens had zij een ergonomisch advies in het geding gebracht dat werd opgesteld door een ergonoom ten aanzien van de werkplek van de werknemer.
[17] Ktr. Utrecht 17 juli 2002, JAR 2003 / 31.
[18] Ktr. Haarlem 22 januari 2003, JAR 2003/48.
[19] Ktr. Apeldoorn 16 april 2003, JAR 2003/113.
[20] Uit de uitspraak kan niet worden afgeleid op welke medische rapporten deze conclusie is gebaseerd. In het vonnis wordt ook verwezen naar een verklaring van een orthopeed die schrijft dat de klachten mogelijk ook al enige jaren voor het dienstverband bestonden.
[21] Ktr. Brielle 11 maart 2003, JAR 2003/93 en JAR 2002/82.
[22] De deskundige baseert dat oordeel op het feit dat niet werkgerelateerde kenmerken en omstandigheden een rol kunnen spelen, er onduidelijkheid bestaat over de werkplekopstelling, het beloop van het ontstaan van de aandoening van Campen a-typisch is voor een RSI-aandoening, de behandelend specialisten geen relatie hebben gelegd met de werkomstandigheden en op het feit dat het moeilijk te begrijpen is dat Campen na vier jaar nog ernstige fysieke klachten heeft.
[23] Ktr. Middelburg 1 september 2003, JAR 2003/269.
[24] Zie in dit kader ook T. Hartlief, ‘Wat kan art. 7:658 BW betekenen voor werknemers met RSI?’, NTBR 2002/1, p. 2-6.
[25] HR 12 september 2003, JAR 2003, 242
[26] art. 4 Arbowet
[27] Zie de recent gestelde kamervragen van de leden Bussemaker en Stuurman aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de afwikkeling van schadeclaims bij beroepsziekten d.d. 30 december 2003 naar aanleiding van berichten van bureau beroepsziekten FNV, nr 2030405360 vergaderjaar 1003-1004, Vragen.